„In China is vrijheid van godsdienst op komst”
Ab Jansen
HONGKONG - Er is in China sprake van een
verschuiving van het platteland naar de stad als het gaat om de groei van de
christelijke kerken. De gevolgen daarvan zouden volgens een optimistisch
scenario groot kunnen zijn: een grotere vrijheid van godsdienst in China.
Aanhangers van dit scenario stellen dat met de komst van het christelijk geloof naar de steden, het vaak irrationele,
bizarre geloof van ongeletterde boeren op het platteland naar de achtergrond
verdwijnt. En juist dat wispelturige, onvoorspelbare en dus staatsgevaarlijke
religieuze gedrag was en is de autoriteiten in Peking een doorn in het oog. Nu
er steeds meer geschoolde burgerchristenen komen, zou het gemakkelijker zijn om
hen in hun geloofsuiting ruimte te geven. Daarmee kunnen ook de positieve
kanten van het geloof geoogst gaan worden.
Het thema wordt uiteengezet in een bijdrage in het decembernummer
van de Far Eastern Economic Review, onder de titel ”Christianity comes to
China’s Cities”. De auteur is de Amerikaanse wetenschapper Leslie Hook.
Vanuit het geloof bezien is de groei van het christendom in China
vanzelfsprekend een genadige daad van God. Dat behoeft
geen nadere verklaring. Dat neemt niet weg dat enkele ontwikkelingen in het
huidige China iets zeggen over hoe zich die groei voltrekt. Leslie Hook noemt
er enkele.
Zo is daar de invloed van het buitenland, met
name uit de Verenigde Staten. Steeds meer stedelijke Chinezen verblijven
daar tijdelijk of voor langere tijd, en ondergaan er de in hun beleving
weldadige invloed van het christendom: de gemeenschapszin, de zorg voor elkaar
- zaken die in het bikkelharde kapitalistische China
diep zijn weggezakt. Veel van deze Chinezen sluiten zich in China vervolgens
aan bij een kerk, en beïnvloeden hun families of hun sociale omgeving.
Ook binnen China wordt veel gereisd, met name
door migranten van het platteland, die als bouwvakkers of fabrieksarbeiders hun
geluk zoeken in de steden. Hook noemt christelijke fabriekseigenaren als
belangrijke geloofsgetuigen wanneer ze hun werknemers op zondag en op
christelijke feestdagen vrijaf geven. „Zulke werkgevers zijn een verademing
tussen al die anderen die hun arbeiders zeven dagen per week laten doorwerken.”
Voor de jongere generatie Chinezen, in het bijzonder de studenten,
geeft het christelijk geloof uitdrukking aan wat ze
noemen „intellectuele vrijheid.” Voor sommigen is het een daad van verzet als
ze christen worden, na eerst enkele jaren tegen hun zin de communistische
partijdiscipline te hebben gevolgd.
Chinezen kiezen soms ook uit teleurstelling voor het christelijk geloof. Teleurstelling over de ideologie van het
communisme, of over de onwaarachtigheid van zijn zogenaamde aanhangers. Of uit
frustratie over de anticommunistische democratische beweging. Bijvoorbeeld
vanwege het falen van de Tiananmen -een studentenbeweging uit
1989- dat ook nog eens interne verdeeldheid als gevolg had. Het heeft
diverse prodemocratische Chinezen in de armen van christenen gedreven, aldus
Hook.
Tegelijkertijd blijft waar dat het diepgewortelde christendom op
het platteland een onmisbaar bron- en voedingsgebied is voor de groei van de
kerk in de steden. „De meeste stedelijke christenen hebben een of meerder
familieleden op het platteland die al christen waren voordat zij het werden.”
Of zoals een student het zegt: „Wie een gelovige oma op het platteland heeft,
zal als student sneller interesse in het christelijk
geloof tonen dan iemand die niet zo’n oma heeft.”
Toch ervaren stedelijke christenen op één punt verschil met
christenen op het platteland. Zij vinden zichzelf redelijker en beschaafder. Er
wordt nogal op plattelandsgelovigen neergekeken vanwege vermeend
„emotiegeloof”, en vanwege „vermenging van geloof en bijgeloof.” Juist omdat
stedelijke christenen het geloof in een beschaafde vorm belijden en beleven
-zeggen ze zelf- kan het christelijk geloof een
belangrijke bijdrage leveren aan de intellectuele, economische en sociale
ontwikkeling van hun land.
Geloof en vooruitgang is bij veel
stedelingen nog sterk aan elkaar gekoppeld. Hier verraadt zich wellicht de
Amerikaanse invloed (lees: de invloed van prosperity theology).
Chinese christenen zien de betekenis van het geloof voor de
ontwikkeling van de democratie in hun land. Meer onderlinge liefde en
hulpvaardigheid zijn in hun ogen onmisbaar in een vitale democratie, en het christelijk geloof zet daartoe aan.
Als voorbeeld noemt Hook dat relatief veel christenjuristen zich
belangeloos inzetten bij de verdediging van slachtoffers van
mensenrechtenschendingen. Veel kerken kennen sociale
dienstverleningsprogramma’s.
Kapitalisme
En dan is er nog het verband tussen christelijk geloof en kapitalisme. De jonge
Chinese christeneconoom Zhao Xiao heeft niet alleen Max Webers boek over dit
thema goed bestudeerd, hij heeft ook diep nagedacht over de vraag wat dit in de
Chinese context betekent. In een elf pagina’s tellend
essay in de Chinese editie van Esquire Magazine stelt hij onder meer dat de
markteconomie weliswaar mensen leert om niet lui te zijn, maar ze is niet in
staat mensen het liegen af te leren, of om elkaar überhaupt geen schade te
berokkenen, maar elkaar te vertrouwen. „Daarvoor is de kerk onmisbaar”, aldus
Zhao. Want die helpt mensen elkaar te respecteren. Die zet ertoe aan dat
rijkdom wordt gedeeld en dat spanningen tussen rijk en arm
-ongekend hoog in het huidige China- wordt opgeheven dankzij het
praktiseren van liefdadigheid.
Bron: ('http://www.refdag.nl/artikel/1285707/