|
|
|
Wat moet men doen om gered te zijn? Dit is wellicht de aloude vraag die de mensheid zich stelt. Elke gelovige zal zich vroeg of laat eens deze vraag stellen en dit is uiteindelijk ook de basis vraag van het verlossingsplan. Hoe kan een zondig, en dus schuldig mens, verlost en gered worden. Hoe kan men gerechtigheid en genade met elkaar verzoenen?
Over dit onderwerp werden al bibliotheken vol geschreven. Op zich wijst dit dat het hier om een zeer moeilijke vraag gaat. Daarom wensen wij te kijken naar wat de Bijbel hierover te zeggen heeft. Dit belangrijk onderwerp zal ook vanuit de Bijbel een antwoord moeten krijgen.
Laten we daarom kijken naar de maquette die God ons gegeven heeft. Het heiligdom is de plaats waar de jood zijn zonde kon brengen tot reiniging. Maar wat hield deze reiniging nu eigenlijk in? Hoe kon een schuldenaar verlost geraken van deze zonde? Waar staat dat heiligdom nu? Welke boodschap heeft een Christen hieraan en welke boodschap heeft een gelovige van de éénentwintigste eeuw hieraan?
Al deze vragen willen we in deze studie aan bod laten komen. Het spreekt voor zich dat deze studie op zich niet alles omvat, maar wij hopen dat dit een aanzet is tot verder gaan in Gods Woord. Mocht u willen reageren, kun je dit bij de link 'contact'.
Wat is het heiligdom?
Wat is het heiligdom? Wat hebben wij aan een volledig verwoest heiligdom? Of is de aarde in zijn totaliteit het heiligdom dat bij de wederkomst zal hersteld worden? Uit bijbelonderzoek komt men tot de vaststelling dat er geen enkel bewijs te vinden is voor het standpunt dat de aarde het heiligdom is. In de Bijbel vind men wel een volledige uitleg over het heiligdom, zijn aard, zijn ligging en zijn diensten. De uitspraken zijn zeer duidelijk. Zo zegt de apostel Paulus:
Het heiligdom waarover Paulus hier schrijft, is de tabernakel die op Gods bevel door Mozes werd gebouwd als de woonplaats van de Allerhoogste op aarde.
Exodus 25:8 En zij zullen Mij een heiligdom maken, en Ik zal in hun
midden wonen.
Dit was de opdracht die aan Mozes werd gegeven toen hij op de berg was met God. De Israëlieten trokken door de woestijn en de tabernakel werd zo gebouwd dat hij van de ene plaats naar de andere kon worden gedragen. Toch was het een prachtig bouwwerk. De wanden bestonden uit rechtopstaande planken, zwaar met goud overtrokken, met voetstukken van zilver. Het dak bestond uit een aantal tentkleden of dekkleden; de buitenste waren van dierenhuiden en de binnenste van fijn linnen met kunstig geweven cherubs. De tabernakel had een voorhof en twee afdelingen , het heilige en het heilige der heiligen genoemd. Ze waren van elkaar gescheiden door een mooi en duur gordijn, het voorhangsel. De toegang tot het heilige werd ook afgesloten door zo’n voorhangsel.
In het heilige was er aan de zuidkant een kandelaar met zeven armen die het heiligdom zowel overdag als ’s nachts verlichtte. Aan de noordkant stond de tafel met de toonbroden en voor het voorhangsel dat het heilige van het heilige der heiligen scheidde, stond het gouden reukofferaltaar. van waar de wierookwolk met de gebeden van Israël dagelijks naar God opsteeg.
In het heilige der heiligen stond de ark, een kist van kostbaar hout, met goud overtrokken. Daarin lagen de twee stenen tafelen waarop God de wet van de Tien Geboden had geschreven. Op de ark lag het verzoendeksel, een prachtig staaltje van vakmanschap, overdekt door twee cherubs, een aan elk eind en gemaakt van massief goud. in dit deel openbaarde de tegenwoordigheid Gods zich in de wolk der heerlijkheid tussen de cherubs.
Nadat de Hebreeën zich in Kanaän hadden gevestigd, werd de tabernakel vervangen door de tempel van Salomo, waarin dezelfde verhoudingen waren behouden. De tempel was op dezelfde manier ingericht, maar kon niet verplaatst worden en was ook groter.
Deze verzen tonen aan dat er een heiligdom van het nieuwe verbond is. Het heiligdom van het eerste verbond was door de mens opgericht. Het was door Mozes gebouwd. Dat van het nieuwe verbond heeft God opgericht “en niet een mens”. In het eerste heiligdom vervulden menselijke priesters de dienst; in het hemelse heiligdom verricht Christus, onze Hogepriester, de dienst ter rechterzijde van God. Het ene heiligdom was op aarde, het andere is in de hemel.
Het heiligdom in de hemel, waar Christus de dienst voor ons verricht, is het model van het heiligdom dat Mozes oprichtte. God heeft de bouwmeesters van het aardse heiligdom door zijn Geest geleid. De kunstzin die bij de bouw daarvan aan de dag is gelegd, getuigt van goddelijke wijsheid. De wanden waren als massief goud en weerkaatsten het licht van de gouden zeven armige kandelaar in alle richtingen. De tafel met de toonbroden en het reukofferaltaar blonken als gepolijst goud. Het prachtige kleed van het dak met kunstig geweven afbeeldingen van cherubs in blauwpurper, roodpurper en scharlaken maakten het geheel nog mooier. En achter het tweede voorhangsel was de heilige wolk der heerlijkheid, waarvoor niemand, behalve de hogepriester, kon komen zonder gedood te worden.
Dit heiligdom is vervuld van de heerlijkheid van de eeuwige troon. De serafs, zijn schitterende wachters, bedekken hun gezicht in aanbidding. Het mooiste gebouw ooit door mensenhanden gemaakt was maar een zwakke afschaduwing van zijn grootsheid en heerlijkheid. En toch kon men uit het aardse heiligdom en zijn diensten belangrijkste lessen leren over het hemelse heiligdom en het belangrijke werk dat daar volbracht wordt voor de verlossing van de mens.
Het heilige en het heilige der heiligen, de tweede afdelingen van het heiligdom op deze aarde zijn een afbeelding van het heilige en het heilige der heiligen in de hemel. Toen de apostel Johannes in een visioen in de tempel van God in de hemel mocht kijken, zag hij “zeven vurige fakkels branden voor de troon” (Openbaring 4:5). Hij zag een engel “met een gouden wierookvat bij het altaar staan, en hem werd veel reukwerk geschonken om het te geven, met de gebeden van alle heiligen, op het gouden altaar voor de troon” (Openbaring 8:3). De profeet mocht een blik werpen in het eerste vertrek van het heiligdom in de hemel en zag daar “zeven vurige fakkels” branden en “het gouden altaar”, die in het heiligdom op aarde werden voorgesteld door de kandelaar en het reukofferaltaar. En weer “ging de tempel open” (Openbaring 11:19)en hij zag door het voorhangsel in het heilige der heiligen. Daar zag hij “de ark van zijn verbond”, die op aarde was afgebeeld door de ark die Mozes had gemaakt voor de twee stenen tafelen.
De Bijbel geeft het onweerlegbare bewijs dat er een heiligdom in de hemel is. Mozes had het heiligdom op aarde gemaakt aan de hand van een voorbeeld dat hem getoond was. Paulus verklaart dat dit voorbeeld het ware heiligdom in de hemel is en Johannes zegt dat hij het in de hemel heeft gezien.
In het hemelse heiligdom – Gods woonplaats - is Gods troon gevestigd op gerechtigheid en oordeel. In het heilige der heiligen is zijn wet, de rechtsnorm waarnaar de hele mensheid zal worden geoordeeld. Op de ark met de tafelen der wet ligt het verzoendeksel. Hier pleit Christus met zijn bloed voor de zondaar. Hiermee wordt aangetoond dat rechtvaardigheid en genade in het verlossingsplan samengaan. Deze eenheid kon alleen tot stand komen door de oneindige Wijsheid en de oneindige Kracht en vervult de ganse hemel met bewondering en eerbied. De cherubs van het heiligdom op aarde, die eerbiedig neerblikken op het verzoendeksel, stellen de belangstelling voor waarmee “de hemelse heerscharen” het verlossingswerk volgen. De engelen willen het geheimenis van de genade doorgronden. Ze willen begrijpen hoe God rechtvaardig kan zijn, terwijl Hij tegelijkertijd de zondaar die tot Hem komt vergiffenis schenkt en het contact met de gevallen mensheid herstelt. Ze willen inzicht hebben in de menswording van Christus waardoor talloze mensen van de ondergang worden gered en bekleed worden met het smetteloze kleed van zijn gerechtigheid, zodat ze in contact kunnen treden met engelen die nooit hebben gezondigd en voor eeuwig in Gods tegenwoordigheid zullen zijn.
Het werk van Christus als middelaar voor de mens wordt in de mooie profetie van Zacharia, over Hem “wiens naam is Spruit”, duidelijk gemaakt. De profeet zegt:
“Hij zal des Heren tempel bouwen” Door zijn offer en middelaarschap is Christus zowel het fundament als de stichter van Gods gemeente. De apostel Paulus noemt Hem de “hoeksteen”.
“Hij zal met majesteit bekleed zijn”. De eer voor de verlossing van de gevallen mensheid komt Christus toe. In alle eeuwigheid zal het lied van de verlosten zijn “Hem, die ons liefheeft en ons uit onze zonden verlost heeft door zijn bloed (…) Hem zij de heerlijkheid en de kracht tot in alle eeuwigheden! Amen” (openbaring 1:5-6)
In Daniël 8:14 lezen wij “dan zal het heiligdom in rechte staat hersteld worden”. Dat er zo een dienst was in het heiligdom op aarde, kunnen wij in het oude testament lezen. Maar moet er iets in de hemel gereinigd worden? Het negende hoofdstuk van de brief aan de Hebreeën zegt duidelijk dat zowel het aardse als het hemelse heiligdom moeten worden gereinigd.
Zowel in de zinnebeeldige dienst als in de ware dienst moest de reiniging met bloed geschieden; in de dienst hier op aarde met het bloed van dieren; in het heiligdom in de hemel met het bloed van Christus. Paulus geeft de reden waarom deze reiniging met bloed moet geschieden: “zonder bloedstorting geschiedt er geen vergeving”. De zonden moeten dus uit het heiligdom worden verwijderd. Maar hoe kunnen er zonden in het heiligdom op aarde of in het hemelse heiligdom zijn? Wij kunnen daar meer inzicht in krijgen als wij de zinnebeeldige dienst bestuderen, want de priesters van het oude testament “verrichten slechts dienst bij een afbeelding en schaduw van het hemelse” (Heb. 8:5).
Er waren twee verschillende diensten in het heiligdom op aarde; de priesters verrichtten dagelijks de dienst in het heilige, terwijl de hogepriester eenmaal per jaar een bijzondere verzoening tot stand bracht door zijn dienst in het heilige der heiligen om het heiligdom te reinigen. Dag na dag brachten berouwvolle zondaren hun offers naar de ingang van de tabernakel, legden hun handen op de kop van het offerdier, beleden hun zonden en brachten zinnebeeldig hun eigen zonden over op het onschuldig offerdier. Daarna werd het dier geslacht. De apostel Paulus zegt “zonder bloedstorting geschiedt er geen vergeving”. “Want de ziel van het vlees is in het bloed” (Leviticus 17:11). De wet van God die overtreden was, eiste dat de zondaar moest sterven. Het bloed stelde het verbeurde leven van de zondaar voor. Zijn schuld werd door het offerdier gedragen. Het bloed werd door de priester in het heilige gebracht en voor het voorhangsel gesprenkeld. Achter dit voorhangsel was de ark met de wet, die de zondaar had overtreden. Door deze handeling werd de zonde, door het bloed zinnebeeldig naar het heiligdom overgebracht. In sommige gevallen werd het bloed niet naar het heilige overgebracht, maar moest het vlees door de priester worden gegeten, zoals Mozes aan de zonen van Aäron had bevolen: “Hij gaf u dit om de ongerechtigheid der vergadering weg te nemen” (Leviticus 10:17). Beide handelingen stelden de overdracht van de zonde – van de zondaar naar het heiligdom - zinnebeeldig voor.
Dit werk vond dag in dag uit het hele jaar door plaats. Zo werden de zonden van Israël naar het heiligdom overgebracht en moest er een speciale dienst zijn om al deze zonden uit het heiligdom weg te doen. God had het bevel gegeven dat er voor elk van de twee afdelingen verzoening moest worden gedaan. “Zo zal hij verzoening doen over het heiligdom om de onreinheden der Isaëlieten en om hun overtredingen in al hun zonden; aldus zal hij doen met de tent der samenkomst, die bij hen verblijf houdt te midden van hun onreinheden”. Er moest ook verzoening worden gedaan voor het altaar om het “te reinigen en heiligen van de onreinheden der Israëlieten” (Leviticus 6:16,19).
Eenmaal per jaar op de grote verzoendag, ging de hogepriester in het heilige der heiligen om het heiligdom te reinigen. De dienst die dan werd verricht, sloot de jaarlijkse cyclus van de bediening af. Op de grote verzoendag werden er twee bokken aan de ingang van de tabernakel gebracht en werd het lot over hen geworpen; “een lot voor de Here, en een lot voor Azazel” (vers 8). De bok waarop “het lot voor de Here viel, moest als zondoffer voor het volk worden geslacht. De hogepriester moest zijn bloed in het heilige der heiligen brengen, en op en voor het verzoendeksel sprenkelen. Het bloed moest ook op het reukofferaltaar, dat voor het voorhangsel stond, worden gesprenkeld.
De zondebok kwam niet terug in de legerplaats van de Israëlieten en de man die hem had weggebracht moest zichzelf en zijn kleren met water wassen voordat hij naar de legerplaats terugkeerde.
Deze inzetting moest de Israëlieten een idee geven van Gods heiligheid en van zijn afkeer van de zonde. Ze moesten leren dat ze niet met de zonde in aanraking konden komen zonder zich te verontreinigen. Iedereen moest zich verootmoedigen terwijl het verzoeningswerk plaatsvond. De Israëlieten mochten niet werken en moesten de dag doorbrengen in plechtige verootmoediging voor God, met gebed, vasten en een grondig gewetensonderzoek.
De zinnebeeldige dienst leert ons belangrijke waarheden over de verzoening. Er was een plaatsvervanger voor de zondaar, maar de zonde werd niet uitgedelgd door het bloed van het zondoffer. Er was voorzien in een middel om de zonde naar het heiligdom over te brengen. Door het offeren van bloed erkende de zondaar het gezag van de wet, beleed hij zijn schuld in het overtreden en drukte hij zijn verlangen uit om vergiffenis te krijgen op grond van zijn geloof in een Verlosser die nog moest komen. Maar hij was nog niet volkomen vrijgesteld van de veroordeling door de wet. Op de grote verzoendag ging de hogepriester nadat hij het offer van de vergadering had genomen in het heilige der heiligen met het bloed van het offer dier en sprenkelde het op het verzoendeksel, dat vlak boven de wet lag, om de eisen die de wet stelt, genoeg te doen. Daarna nam hij als middelaar de zonden op zich en droeg ze uit het heiligdom. Hij plaatste zijn handen op de kop van de zondebok, beleed al deze zonden over het dier en bracht door die handeling de zonden van hemzelf op de zondebok over. De bok nam de zonden mee naar de woestijn en pas dan waren ze voor altijd verwijderd.
Daar wij ons niet willen verwijderen van het onderwerp, nl. het heiligdom, gaan we niet verder maar toch moet hier vermeld worden dat men duidelijk de heiligheid en onveranderlijkheid van Gods wet ervaren. Zo gaat genade gaat niet ten koste van gerechtigheid.
Nu wij uit de Bijbel vastgesteld hebben dat de diensten in het aards heiligdom een zinnebeeld zijn, een schaduw van wat er in de ware tabernakel gebeurt, kan men zich de vraag stellen wanneer deze grote verzoendag zal plaats vinden in het hemelse heiligdom? Zal men het hemelse heiligdom ook elk jaar reinigen en zo jaar na jaar diezelfde dienst zien herhalen? Het antwoord op deze vraag kan men vinden in de profetieën van Daniël.
Bij het horen van deze profetie verdiepte Daniël zich in het boek van de profeet Jeremia. Jeremia sprak alleen maar van de zeventig jaren ballingschap voor Gods volk.
Het volk had gezondigd en daarom werden zij naar de vreemde weggevoerd. Zij bekeerden zich echter niet en Daniël was bang dat deze zeventig jaar verlengd zouden worden. Daarom bad hij tot God en vroeg om vergiffenis voor zijn volk. Hij vroeg aan God of zijn volk terug zou mogen keren om de stad Jeruzalem te kunnen herbouwen en of God de vervulling van Zijn belofte niet langer wilde uitstellen.
Terwijl Daniël bad kwam de engel Gabriël hem duidelijk maken waarom er zoveel tijd zou moeten voorbij gaan, voordat het heiligdom gereinigd of “in rechte staat hersteld” zou kunnen worden.
Toen de Meden en Perzen Babylon veroverden bekleedde Daniël een hoge positie in het rijk. Jaren waren voorbij gegaan sinds hij het visioen van hoofdstuk 8 zag, waarin werd getoond dat – gedurende een lange periode – Gods volk en het heiligdom onder de voet zouden worden gelopen. Nadat Gabriël Daniël vertelde om “op het gezicht acht te slaan”, een verwijzing naar het visioen van hoofdstuk 8, maakte hij duidelijk dat een deel van de 2300 jaren bestemd zou zijn voor het Joodse volk om te bewijzen dat zij aan Gods opdracht gehoor zouden geven. Wij spreken hier van 2300 jaren daar de profetie van Dan 8:14 duidelijk een symbolische profetie omvat. Hierop kan men dan de Bijbelse regel toepassen waarbij één dag in de symbolische profetie gelijk staat met één jaar in werkelijkheid.
De engel was naar Daniël gestuurd met de duidelijke opdracht hem het punt uit te leggen dat hij in het gezicht van het achtste hoofdstuk niet had begrepen.
“Zeventig weken zijn bepaald over uw volk en uw heilige stad”. Het woord dat is vertaald door ‘bepaald’ betekent letterlijk ‘afgesneden’. Zeventig weken of 490 jaar zijn volgens de engel afgesneden voor het Joodse volk. Maar waarvan zijn ze afgesneden? Daar er in het voorgaande hoofdstuk alleen sprake is van één periode, moeten de zeventig weken daarvan afgesneden zijn. De zeventig weken zijn dus een stuk van de 2300 avonden en morgens en de twee periodes hebben hetzelfde beginpunt. De engel zei dat de zeventig weken begonnen op het ogenblik dat het bevel uitging om Jeruzalem te herstellen en te herbouwen. Dit decreet kunnen we in het zevende hoofdstuk van Ezra vinden.
De volledige tekst werd door Artaxerxes (Artachsasta), koning van Perzië, afgekondigd in 457 v. Chr. Maar in Ezra 6:14 lezen wij dat de bouw voltooid werd “volgens het bevel van Kores, Darius en Artaxerxes, koning van Perzië. Deze drie koningen brachten door hun afkondiging, bevestiging en aanvulling het bevel tot de volmaaktheid die nodig was om het begin van de profetie van de twee duizend driehonderd avonden en morgens aan te duiden. Als men 457 v. Chr. als uitgangspunt voor de berekening aanneemt, kan men vaststellen dat elk detail in verband met de zeventig weken in vervulling is gegaan.
“Vanaf het ogenblik, dat het woord uitging om Jeruzalem te herstellen en te herbouwen tot op een gezalfde, een vorst, zijn zeven weken; en tweeënzestig weken lang zal het hersteld en herbouwd blijven”. In totaal negen en zestig weken of 483 jaar. Het decreet van Artaxerxes werd van kracht in de herfst van 457 v. Chr. Vanaf deze datum gerekend reiken de 483 jaar tot de herfst van 27 na Chr. Op dat ogenblik ging deze profetie in vervulling. Het woord Messias betekent ‘De Gezalfde’. In de herfst van 27 na Chr. werd Jezus door Johannes gedoopt en werd Hij door de Heilige Geest gezalfd. De apostel Petrus zegt dat “God Hem met de Heilige Geest en met kracht heeft gezalfd” (Hand. 10:38). Christus verklaarde zelf: “De geest des Heren is op Mij, daarom dat Hij Mij gezalfd heeft, om aan de armen het evangelie te brengen” (Lucas 4:18). Na zijn doop ging Jezus naar Galilea “om het evangelie Gods te prediken, en Hij zeide: “De tijd is vervuld”; (Marcus 1: 14,15)”
“En hij zal het verbond voor velen zwaar maken, een week lang”. Dat is dan de zeventigste week, de laatste zeven jaar van de periode die voor de Joden “bepaald” was. In deze periode tussen 27 en 34 na Chr; richtte Jezus Zich eerst zelf en daarna door zijn discipelen in het bijzonder tot de Joden met de evangelieboodschap. Toen de apostelen vertrokken om het goede nieuws van het Koninkrijk te verspreiden, zei Jezus: “Wijkt niet af op een weg naar heidenen, gaat geen stad van Samaritanen binnen, begeeft u liever tot de verloren schapen van het huis Israëls” (Matheus 10:5,6).
“In de helft van de week zal Hij slachtoffer en spijsoffer doen ophouden”. In 31 na Chr., drie en een half jaar na zijn doop, werd Christus gekruisigd. Met het grote offer van Golgotha kwam er ook een einde aan de offers die vierduizend jaar lang hadden gewezen op het Lam van God. Het beeld werd door zijn tegenbeeld vervangen en daardoor kwam er ook een eind aan “slachtoffer en spijsoffer” van de ceremoniële wetgeving.
De zeventig profetische weken of 490 letterlijke jaren die vooral voor het Joodse volk waren “bepaald” eindigden dus in 34 na Chr. In dat jaar bezegelde het volk zijn verwerping van het evangelie door op optreden van het Sanhedrin, waardoor Stefanus werd gestenigd en de volgelingen van Christus werden vervolgd. Toen werd de reddingsboodschap niet meer alleen aan het uitverkoren volk, maar aan de hele wereld gebracht. De discipelen moesten vanwege de vervolgingen in Jeruzalem, de stad verlaten. “Zij dan die verstrooid werden, trokken het land door, het evangelie verkondigende”. “En Filippus daalde af naar de tad van Samaria en predikte hun de Christus”. Petrus werd door de Heilige Geest geleid toen hij “het goede nieuws” aan de hoofdman van Caesaréa, de godvrezende Cornelius, bracht. En de vurige Paulus, die bekeerd werd, moest het goede nieuws,”ver weg, naar de heidenen” brengen (Hand. 8:4,5;22:21).
De profetieën zijn tot in de kleinste bijzonderheden uitgekomen. Het lijdt dan ook niet de minste twijfel dat de zeventig weken in 457 v. Chr. begonnen en in 34 na Chr. eindigden. Het is dan niet moeilijk te bepalen wanneer de tweeduizend driehonderd avonden en morgens” eindigen. De zeventig weken waren afgesneden van het grotere stuk van de 2300 dagen. Er bleven dus nog 1810 dagen over. Als men bij 34 na Chr. 1810 jaar optelt, komt men in 1844. Volgens de engel zou bij het verstrijken van deze periode “het heiligdom in rechte staat hersteld worden”.
Maar is het dan wel mogelijk dat de reiniging van het hemelse heiligdom in 1844 van start ging en dat dit geen gevolgen heeft voor het verlossingsplan hier op aarde? Waarom wijdt de Bijbel zoveel aandacht aan het heiligdom als dit niet van belang zou zijn voor ons?
Het lezen van Leviticus 16 maakt duidelijk dat de grote verzoendag niet alleen een oordeelsdag was; het was een dag van reiniging voor het volk van God. Men zou kunnen denken dat alleen de tabernakel zelf gereinigd werd op de grote verzoendag, maar Leviticus 16 staaft dit denkbeeld niet. Er werd verzoening gedaan voor het hele heiligdom, alsook voor het volk. Maar waarom moet het volk gereinigd worden? Is het proces van rechtvaardig making en heiligmaking niet voldoende om geheel gereinigd te staan voordat het oordeel men het oordeel bereikt?
De sleutel tot het juiste begrip van dit probleem is de waarheid, dat de wedergeboren heiligen, zoals Luther het uitdrukte, “gerechtvaardigd en tegelijkertijd onrein” zijn. (Simul Justi et Pecatores). De gelovige christen is geheel gerechtvaardigd voor God, maar de gerechtvaardigden belijden de zondigheid van hun natuur. Elke gelovige zal keer op keer ervaren en vaststellen dat de zonde in de vorm van de verdorvenheid van de natuur, in de wedergeboren mens blijft.
Met betrekking op de grote verzoendag is het duidelijk, dat de heiligen ‘gerechtvaardigd en tegelijkertijd onrein’ in het oordeel beginnen. Dat ze als een rechtvaardig volk moeten komen, wordt duidelijk in volgende punten
N.B. Niet de eigen klederen maar het kleed van Christus; niet de eigen werken, maar het offer van Christus.
Aan de andere kant beginnen de heiligen het oordeel als zondaars zoals uit volgende blijkt:
De boodschap voor deze grote verzoendag roept Gods volk tot het heiligdom met berouw en verootmoediging van de ziel. De leer dat wanneer iemand zijn zonden heeft beleden, hij vergeven en gereinigd is, is niet in overeenstemming met de Bijbel.
Het is duidelijk dat er nog een reiniging over het volk dient te gebeuren bij de aanvang van het oordeel. Ook moeten wij vaststellen dat bij de wederkomst van Christus, m.a.w. nadat Hij zijn middelaarschap afgelegd heeft, deze reiniging over het volk dient volbracht te zijn. Dit op zich is een onderwerp voor een zeer uitgebreide studie, maar vinden wij nergens in de Bijbel een nood roep, een oproep voor deze tijd?
Wat is de boodschap voor deze tijd? Zullen wij spreken over Christus die verrezen is, of moeten wij het over de thora hebben? Steeds is er een boodschap te brengen. Paulus had één onderwerp te brengen en dat was Jezus die de Christus is. Had Paulus over Mozes gesproken had hij wellicht heel wat kunnen verduidelijken, maar dat was niet de boodschap voor die tijd.
Maar wat is dan de boodschap voor deze tijd? Laten we ook hier het antwoord zoeken in de Bijbel. Daar wij weten dat we aan het eind van de heilsgeschiedenis aangekomen zijn, is het boek Openbaring het aangewezen boek om hier een antwoord te vinden.
In de eindfase van de geschiedenis moet een drievoudig boodschap gebracht worden. Deze worden voorgesteld door drie engelen vliegend in het midden van de hemel. Dat deze boodschap de laatste heilsprediking is die aan de wereld verkondigd wordt, is duidelijk uit het ontstellend feit dat zij verkondigd wordt in de ure des oordeels, en uit het feit dat zij Jezus’ wederkomst en de oogst der aarde onmiddellijk voorafgaat (Openbaring .14:14-20).
|
Te midden van godsdienstige en filosofische dwalingen brengt de eerste boodschap terug het ‘eeuwig evangelie’. Is het niet ’s werelds meest tragische nood dat men op het einde moet terug keren tot de aloude boodschap? De wereld heeft alles uitgeprobeerd, rechtse en linkse dictatuur, democratie, feodale staten, keizerrijken, enz. Maar de mens blijft zichzelf centraal stellen, nog meer dan ooit tevoren. Er is geen plaats voor een Christus die aan onze harten klopt en bereidt is om met Zijn bloed genade te schenken over onze zonden. Wie is er nog zondaar? Voor velen is de dood de meest normale zaak geworden, de dood is niet langer het loon van de zonde. Wie zal nog nederig en met berouw knielen en beroep doen op het offer van Christus?
“De ure van zijn oordeel is gekomen”. De Joden hadden de Verlosser verwacht, maar zij kregen de Man van Smarten (Jesaja 53:3-11). Wij verwachten de liefdevolle, genade schenkende Christus. Maar vergeten wij dan dat Hij de bokken zal scheiden van de schapen (Matheus 25:32,33). Welke Christen kent Jezus zoals de Openbaring ons voorstelt?
“en aanbidt Hem, die de hemel en de aarde en de zee en de waterbronnen gemaakt heeft”. Er is geen twijfel mogelijk. Er is maar één God en die is onveranderlijk. De woorden waarin de waarschuwingsboodschap weerklinkt bevatten een gedeelte van de woorden van het vierde gebod. Heeft God de sabbat niet ingesteld en geheiligd als een gedenkteken van zijn autoriteit als Schepper van het heelal? (Exodus 20:8-10) Gaf Hij dit teken niet aan zijn volk als een zegel op geheiligde karakters? (Exodus 31:13; Ezechiël 20:12,20; Romeinen 4:1) Een koninklijke zegel geeft de naam aan van de wetgever, ook zijn machtspositie en het gebied waarover hij heerst. In het sabbatsgebod lezen wij:
- zijn naam: de Here,
- zijn titel: Schepper,
- zijn rijk: hemel en aarde.
De wereld gaat liever een doelloze hypothese achterna (de hypothese van evolutieleer) dan dat het moet erkennen dat er geen leven mogelijk is zonder Schepper. De mens houdt liever vast aan de gedachte dat hij van de apen komt dan dat er een Schepper is die wij ‘Vader’ kunnen noemen. Een Vader die ons in zijn handpalm gegrift heeft, maar die ons ook zal voeden (met het levende brood) en richten (met Zijn onderwijzing). Maar de wereld denkt die vader niet nodig te hebben.
Openbaring 14:8en een andere, een tweede engel, volgde, zeggende: Gevallen, gevallen is het grote Babylon, dat van de wijn van de hartstocht zijner hoererij al de volkeren heeft doen drinken. |
De oordeelsboodschap is drievoudig, het zijn drie boodschappen die elkander opvolgen en eigenlijk één geheel vormen. Babel is gevallen. Waaruit bestaat deze val? De val van het oude Babel was letterlijk, de val van het geestelijke Babel zal geestelijk zijn. In het 18° hoofdstuk van de Openbaring wordt deze boodschap met meer bezwarende details aangegeven, en wordt een laatste oproep gedaan tot Gods volk dat zich nog in Babel bevindt om deze gemeenschap te verlaten. De gevallen kerken hebben hun leerstellingen aangepast aan de zondige mens, in plaats van de mens te verheffen tot op de hoogte van het christendom. De val van Babel bereikt zijn dieptepunt wanneer de gevallen kerken zullen samengaan en de wereld het merkteken van het beest zullen opdringen (Openbaring 13:15).
Deze profetie is zeer duidelijk, hoewel vandaag nog zeer onwaarschijnlijk. Er komt een eenheid van kerken. Maar deze eenheid zal zijn teken opdringen. Zal Gods volk gehoor geven aan deze profetie? Zal het de gevallen kerken verlaten eens deze eenheid haar teken opdringt? De geschiedenis leert ons dat het erg moeilijk is om zijn vertrouwde omgeving te verlaten. Wie zag niet in dat het derde Rijk in 1939 anti semitisch was? Maar wie minimaliseerde de gebeurtenissen niet? Wie zal de eenheid in de kerken niet zien? Maar wie zal het opdringen van een teken (en dus terugschroeven van godsdienstvrijheid) niet minimaliseren? De christelijke kerken zijn gevallen door te flirten met de onheilige wereldmacht.
De hoer, de ontrouwe afvallige kerk, steunt op wereldlijke macht (het beest) en staat tegenover de heiligen, de getuigen van Jezus. Maar waaraan beantwoorden die heiligen?
Hoe diep is de kerk niet gevallen. De apostel Johannes keek met grote verbazing. Hoe kan het ook anders, de kerk van Christus is de moeder van de hoeren geworden en is dronken van het bloed der heiligen en van het bloed der getuigen van Jezus.
Wie zal acht slaan op deze duidelijke profetie? Wie een oor heeft die hore!
Openbaring 14:9-11En een andere engel, een derde, volgde hen, zeggende met luider stem: Indien iemand het beest en zijn beeld aanbidt en het merkteken op zijn voorhoofd of op zijn hand ontvangt, die zal ook drinken van de wijn van Gods gramschap, die ongemengd is toebereid in de beker van zijn toorn; en hij zal gepijnigd worden met vuur en zwavel ten aanschouwen van de heilige engelen en van het Lam. En de rook van hun pijniging stijgt op in alle eeuwigheden, en zij hebben geen rust, dag en nacht, die het beest en zijn beeld aanbidden, en al wie het merkteken van zijn naam ontvangt. |
In contrast met deze die God als Schepper aanbidden en dusdanig onder Zijn zegel vallen, worden wij hier in tegenwoordigheid gebracht van hen die ere brengen aan de grote wereldlijke eenheid en aldus het merkteken dragen. Gaan wij God in Zijn schepping, steunend op de onbaatzuchtige liefde, volgen? Of geven wij gehoor aan ‘de mens als centrum’. Zullen wij de Sabbat houden omdat God het ons vraagt of zullen wij de zondag heiligen omdat iedereen dat doet? De zonde deed zijn intrede door Gods liefde opzij te zetten en het eigen ik voorop te zetten. Zo zal het ook eindigen. Jezus heeft op Golgotha alles volbracht. Er is geen twijfel mogelijk. Gods Schepping is goed. Vaak ervaren wij ons wetmatigheden als een beknotting van onze vrijheden, maar deze wetmatigheden zijn er net voor onze vrijheid. Gaan wij God vertrouwen en volgen, of gaan wij op onze zintuigen vertrouwen? Hier is geen neutrale houding mogelijk. Wie niet onder het zegel Gods valt draagt het merkteken. Zij het op het voorhoofd, zij het op het hand.
|
|
|
|
|